- Thuis
- Wat te doen
- Artikels
- Het Jagerspaviljoen
visitMons_GrégoryMathelot
visitMons_GrégoryMathelot
RolandMoniqueHet Jagerspaviljoen, gelegen in het hart van het bos van Colfontaine, werd in 1855 gebouwd door architect Jean-Pierre Cluysenaar, aan wie we ook de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen in Brussel (1847) te danken hebben.
Dit paviljoen werd gebouwd op vraag van Henri De Gorge (1774-1832), een rijke Franse industrieel die tevens eigenaar was van de steenkoolmijn van Grand-Hornu en die in 1828 het bos van Colfontaine verwierf.
Dit paviljoen, in het hart van het bos van Colfontaine, moest dienen als ontmoetingsplaats om grote maaltijden te delen na de jachtpartijen die werden georganiseerd door Henri De Gorge, maar hij stierf voor het einde van de bouw ervan. Het is dan ook aan zijn erfgenamen te danken dat het gebouw werd voltooid.
Dit gebouw, dat herkenbaar is door zijn zeshoekige vorm en zijn luifels die dienden als stalling voor paardenkoetsen, is opgetrokken uit steen, baksteen en hout, met een veelkleurig dak. Het is toegankelijk via meerdere lanen die in een stervorm samenkomen in het midden van een open plek. Het paviljoen werd op 22 juli 1981 door het Waals Gewest opgenomen in de lijst met beschermde gebouwen.
Het is op deze emblematische plek dat 'La Ligue des Amis de la Forêt de Colfontaine' werd opgericht tijdens de herdenking van de 25ste verjaardag van de aankoop van het bos van Colfontaine door de staat. Het motto van deze vereniging was 'Ons prachtige bos bekendmaken, liefhebben en respecteren'. Het is dankzij deze vereniging dat het bos van Colfontaine werd verfraaid.
Het bos van Colfontaine beslaat een oppervlakte van 780 hectare in de gemeenten Colfontaine, Frameries en Dour. Het werd aan het begin van de 20ste eeuw aangekocht door de Belgische staat, is nu eigendom van het Waalse Gewest en wordt beheerd door het Departement Natuur en Bos. Dit beheer houdt rekening met de grote biologische diversiteit en essentiële sociale functie ervan in het hart van de Borinage, terwijl tegelijkertijd de economische waarde van de bossen wordt benut en de jacht er wordt toegestaan.
De variatie van de ondergrond en de bodems, de aanwezigheid van meerdere waterlopen en een golvend reliëf hebben de ontwikkeling van een grote diversiteit aan boomsoorten mogelijk gemaakt. De eik en de es maken het leeuwendeel uit. Daarnaast zijn er ook beuken, kastanjebomen, esdoorns en vele andere loof- en naaldbomen. Dankzij deze diversiteit aan habitats leven er talrijke diersoorten, waaronder verschillende soorten spechten en de ijsvogel. In het voorjaar kleuren narcissen, hyacinten en bosanemonen het onderhout. In het najaar vinden liefhebbers van kastanjes of paddenstoelen er genoeg om hun smaakpapillen te verwennen.